Erfenis van bommen en granaten

Gasunie zoekt het tot op de bodem uit

  • |

De Nederlandse bodem ligt nog bezaaid met afgeworpen bommen uit de Tweede Wereldoorlog. Voor partijen als Gasunie is dus extra waakzaamheid geboden bij werkzaamheden aan haar ondergronds gastransportnet. Technisch bodemspecialist Kasper Hoiting en archeoloog Bas Hofman vertellen hoe conventioneel (traditioneel) explosievenonderzoek met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt uitgevoerd.


Technisch bodemspecialist Kasper Hoiting (links) en archeoloog Bas Hofman van Gasunie bij de graafwerkzaamheden in Stiens.

Brandvertragende overall. Check. Veiligheidsbril. Check. Veiligheidsschoenen. Check. Gasdetectiemeter. Check. Bij onderhoudswerkzaamheden in het plaatsje Stiens, op enkele kilometers van vliegbasis Leeuwarden van de Koninklijke Luchtmacht, wordt niets aan het toeval overgelaten. De aannemers hebben het oude schema (formatie van gasafsluiters bij elkaar) verwijderd. Ze maken zich op om de nieuwe aan te sluiten op het bestaande gastransportnet. Opperste concentratie is vereist bij het werken met leidingen met brandbare stoffen, of verbindingen die onder hoge druk of spanning staan.

Over het mogelijk stuiten op bommen en granaten hoeven zij zich in ieder geval niet meer druk te maken. Die potentiële gevaren zijn in het voortraject al weggenomen. Ruim vijfentwintighonderd keer per jaar spoort de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) explosieven op, identificeert en ruimt deze. Reden voor Gasunie om voorafgaand aan de grondwerkzaamheden niet-gesprongen conventioneel explosievenonderzoek standaard mee te nemen in de voorwaarden naar de aannemer. Het vormt daarmee een logische aanvulling op het bodem-, ecologisch, archeologisch en milieuonderzoek.

De aannemers maken zich op om het nieuwe afsluiterschema (formatie van gasafsluiters bij elkaar) aan te sluiten op het bestaande gastransportnet in Stiens.

Eyeopener
“De aandacht voor niet-gesprongen explosieven in de engineeringsfase is voortgekomen uit ons project ‘Noord-Zuid Route’, begint Kasper Hoiting, technisch specialist bodem, bemaling, geotechniek en milieu bij Gasunie. Het gasinfrastructuurbedrijf breidde het netwerk in de periode 2008-2014 uit met bijna vijfhonderd kilometer pijpleiding door heel Nederland. “Je werkt dan in gebieden waar we nog nooit gegraven hadden. Zo kwam het voor dat we op een gegeven moment in een omgeving zouden moeten werken waar vroeger een munitietrein was ontspoord. Voor ons vormde dat een eyeopener om al in de engineeringsfase aandacht te besteden aan niet-gesprongen explosieven”, blikt Kasper terug.

Detecteren
Gasunie voegde de daad bij het woord. Voordat de aannemer op plekken bij de Noord-Zuid Route aan de slag ging, was het onderzoek naar niet-gesprongen conventionele explosieven een vast onderdeel van het protocol. Een team van OCE-deskundigen (Opsporing Conventionele Explosieven) startte met het uitvoeren van een bureaustudie. Afhankelijk van de bevindingen werd ter plekke nader opsporingsonderzoek uitgevoerd. Een OCE-deskundige loopt of rijdt dan met een detector over het maaiveld en scant de ondergrond. Bij dit project ging het voornamelijk om het uitbreiden van het gasnetwerk. Je hebt dan niet te maken met bestaande ondergrondse leidingen. Die zijn van staal en verstoren het signaal van de detector.

Raamcontract
“Voordeel is dat je bij zo’n Noord-Zuid Route snel over grote oppervlakten kan detecteren en je niet hoeft te mengen in de planning van de aannemer. Ook is er geen toestemming van bevoegd gezag vereist. Zo kun je verdachte gebieden relatief snel vrijgeven”, weet Bas Hofman, adviseur archeologie/ecologie/niet-gesprongen explosievenonderzoek bij Gasunie. Is er, zoals bij renovatiewerkzaamheden, wel sprake van een bestaand ondergronds gasnetwerk dan volgt een ander protocol. Voor de schop de grond ingaat, start Gasunie met een intensief voorbereidingstraject voor de opsporing van niet-gesprongen conventionele explosieven. Het bedrijf sloot hiervoor in 2015 een raamcontract met RPS dat binnen deze overeenkomst ingenieursdiensten uitvoert op het gebied van cultuur- en milieutechniek, flora en fauna en explosievenonderzoek.

Bij niet-gesprongen explosievenonderzoek in Nederhemert liggen geen verstorende objecten, zoals kabels en leidingen, wat detectieonderzoek met de detector mogelijk maakt.

Historisch vooronderzoek
Dat begint altijd met een historisch vooronderzoek. Hiervoor raadpleegt een historicus onder meer archieven, boeken en luchtfoto’s. Bas: “Je wilt de geschiedenis van een gebied weten. Is het tijdens de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd? Vervolgens stelt de adviseur niet-gesprongen explosieven een projectgebonden risicoanalyse op. Dit gebeurt met name als er sprake is van werkzaamheden in risicovolle omgevingen, zoals bij kabels en leidingen, civiel technische kunstwerken, spoor en stedelijke gebieden. Wat gebeurde er na 1945 in het gebied; is de grond geploegd, is er gegraven om leidingen aan te leggen? Wat voor detectiemethode is hier passend? En tot welke diepte moet er worden gedetecteerd? De antwoorden geven richting aan het wegstrepen van gebieden. Zo blijven alleen de nog verdachte locaties over.

Onderzoeksgebied
Als alle benodigde informatie verzameld is, maakt een adviseur onder toezicht van een collega senior OCE-deskundige een projectplan. Dat plan omvat onder meer aspecten op het gebied van veiligheid, verzekering, certificering, planning en inzet van mensen. Van de verdachte locatie wordt vervolgens een onderzoeksgebied aangemaakt.

Is dit plan door de gemeente goedgekeurd, dan kan de senior OCE-deskundige naar buiten om mogelijke niet-gesprongen conventionele explosieven op te sporen. De wettelijke WSCS-OCE richtlijnen, die alle eisen omvat waaraan een civiel opsporingsbedrijf moet voldoen, verplichten dat dit werk met twee personen, een senior OCE-deskundige en assistent, wordt uitgevoerd.

Explosief identificeren
Bij de oppervlaktedetectie vormt met name de hogedruk aardgastransportleiding een complicerende factor. Kasper legt uit: “De leidingen in de grond zijn van staal en verstoren daarmee het signaal van de detector. Je krijgt één grote vlek te zien. Daarom kom je in dit soort gevallen automatisch bij begeleiding met een OCE-team uit.”

De OCE-deskundige graaft dan voor de werkzaamheden van de aannemer uit, ook wel benaderen genoemd. Dit gebeurt met een beveiligde kraan. Bij het benaderen hanteert hij een detector die afhankelijk van de te verwachten niet-gesprongen conventionele explosieven met een maximum tot vijftig centimeter diep detecteert. Omdat hij voor de zekerheid een buffer van twintig centimeter aanhoudt, geeft de OCE-deskundige steeds dertig centimeter vrij. Gaat de detector piepen, dan is de OCE-deskundige bevoegd om te benaderen. Identificeert hij een explosief, dan wordt het werk meteen stilgelegd.

Data
Met ruim twaalfduizend kilometer leidingen neemt Gasunie een groot deel van de 1,7 miljoen kilometer aan tracés in Nederland voor haar rekening. Bas legt uit hoe Gasunie te werk gaat: “We laten rond verdachte locaties in een straal van ongeveer tweehonderdvijftig meter voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein onderzoeken. Het extra gebied is nodig om flexibiliteit in de keuze van het werkgebied te kunnen hebben. Zo hoef je niet telkens terug voor extra onderzoek.” “Alle onderzoeken die we nu doen blijven hun waarde houden voor de toekomst”, vult Kasper aan. “De resultaten uit bovenstaande onderzoeken worden opgeslagen in onze database met gegevens uit bodemonderzoek. Bij het starten van nieuwe projecten raadpleegt het projectteam deze database op eerder uitgevoerd onderzoek.”

Landelijke database
Kasper is voorstander van een landelijke database voor niet-gesprongen conventionele explosieven. Alle betrokken partijen kunnen dan van elkaars data gebruik maken. Hij maakt een vergelijking met het DINO-loket, dé centrale plek met data over Nederlandse ondergrond. “Bedrijven en overheden beheren bij het opsporen van niet-gesprongen conventionele explosieven eigen databases. Registreer en beheer al deze data in één landelijk systeem en je maakt een enorme efficiencyslag”, is de overtuiging van de bodemspecialist.

“Veel gemeenten hebben bijvoorbeeld een risicokaart laten maken of een gebied verdacht is. Daar kun je dan weer op voortborduren. Begin met al de data bij elkaar te brengen en ga aan de slag met de grijze gebieden”, ziet Kasper als logische stap vooruit. “De stappen daarna zijn te overzien. Er komen immers geen bommen meer bij.”

Op de hoogte blijven van onze werkzaamheden?
Meld u nu aan en ontvang twee keer per jaar ons magazine boordevol verhalen.

Magazine aanvragen